Bij een vakantie in Oostenrijk denk je misschien al snel aan een volle achterbak, bergpassen en een auto die de hele week voor de deur staat. Maar Innsbruck kun je juist heel goed anders aanpakken. Met de trein ernaartoe, daarna verder met tram, bus en kabelbaan en ondertussen vooral de tijd nemen om echt ergens te zijn. Geen haast van hoogtepunt naar hoogtepunt, maar wandelen door een moerasbos, zwemmen in een bergmeer, lokaal eten en af en toe gewoon ergens zitten omdat het uitzicht mooi is. Dat klinkt hier eerlijk gezegd een stuk aantrekkelijker dan iedere dag een nieuw vinkje op een lijst zetten.
Met de trein aankomen en de auto gewoon thuislaten
De regio Innsbruck is goed bereikbaar per trein en eenmaal aangekomen kun je veel plekken met het openbaar vervoer bereiken. Dat maakt het meteen een fijne bestemming als je een paar dagen weg wilt zonder zelf te rijden. Zeker in de stad zijn de afstanden klein en voor uitstapjes richting omliggende dorpen en natuurgebieden zijn trein, bus en tram vaak een prima alternatief.
Handig is ook de Welcome Card, die je bij een verblijf van minimaal twee nachten bij aangesloten accommodaties krijgt. Daarmee reis je gratis met het openbaar vervoer binnen de regio. Wie drie nachten of langer blijft, krijgt met de uitgebreide variant bovendien gratis ritten met een aantal geselecteerde bergbanen. Daardoor hoef je niet voor ieder uitstapje opnieuw uit te zoeken wat het vervoer kost of waar je moet parkeren.
Eerst even het bos in
Vlak buiten Innsbruck ligt het Waldmoor Tantegert, een moerasbos dat je vanuit de stad zelfs met de zogeheten bostram kunt bereiken. In het gebied lopen houten vlonders door het landschap en zijn plekken gemaakt waar je gewoon even kunt zitten. Geen spectaculaire attractie, geen tijdslot en geen audiotour die je per se moet afluisteren. Gewoon naar buiten en kijken waar je uitkomt.
Wie nog wat verder wil lopen, kan richting de Lanser See. Dat meer ligt tussen het groen en is een fijne plek om na een wandeling even te blijven hangen. Op warme dagen kun je er zwemmen, maar ook als het daarvoor net te fris is, lijkt het me zo’n plek waar je zonder moeite een halve middag kwijt bent. Vooral omdat niemand hoeft te zeggen dat je alweer door moet naar het volgende programmaonderdeel.


.
De bergen in zonder meteen een zware tocht te maken
Niet iedere bergdag hoeft te beginnen met wandelschoenen aantrekken om zes uur ’s ochtends. Rond Innsbruck kun je met verschillende kabelbanen omhoog en daar vervolgens kiezen hoeveel je wilt doen. Op plekken als Rangger Köpfl en Patscherkofel worden bijvoorbeeld ook yoga- en pilatesactiviteiten georganiseerd in de bergen. Dat maakt de regio prettig voor gezinnen waarin niet iedereen precies hetzelfde vakantietempo heeft. De één wil wandelen, de ander vooral uitzicht en daarna koffie, en iemand anders vindt na een uur eigenlijk alles wel prima. Als je niet per se iedere dag een top hoeft te halen, blijft er ineens veel meer ruimte over om te kijken waar iedereen zin in heeft.
Onderweg stoppen voor iets lokaals
Slow travel klinkt soms alsof je verplicht heel bewust op een boomstam moet gaan zitten nadenken over het leven, maar het kan ook gewoon betekenen dat je niet overal doorheen jaagt. Op het Mieminger Plateau loopt bijvoorbeeld de Genussradweg, een fietsroute langs verschillende boerderijwinkels en lokale producenten. Onderweg kun je stoppen voor regionale producten en hoef je dus niet pas aan het eind van de dag te bedenken waar je eigenlijk iets wilt eten.
Dat soort stops maken een vakantiedag vanzelf leuker. Zeker met kinderen of tieners is fietsen vaak een stuk aantrekkelijker als er onderweg iets te halen of te proeven valt. Een route met alleen maar mooie uitzichten klinkt voor volwassenen heerlijk, maar met een stuk taart of lokale kaas aan het eind kom je soms nét wat makkelijker bij die volgende kilometer.


.
Het Sellraintal is voor de dagen waarop je echt rust wilt
Wie de stad even helemaal achter zich wil laten, kan richting het Sellraintal. Daar liggen kleine dorpen, wandelroutes en berggebieden waar het tempo vanzelf omlaag gaat. Een relatief rustige wandeling is de Besinnungsweg bij Gries, die langs oude boerderijen en uitzichtpunten richting de kerk van St. Quirin loopt.
Voor ervaren wandelaars is er ook de Sellrainer Hüttenrunde, maar dat is duidelijk een ander soort vakantieprogramma. Die route loopt meerdere dagen door alpien terrein en vraagt meer voorbereiding en bergervaring. Met een gezin zou ik dus vooral kijken wat bij jullie past, in plaats van automatisch voor de zwaarste route te kiezen omdat die op Instagram het indrukwekkendst lijkt.
Ook Innsbruck zelf hoeft geen race langs highlights te worden
Eenmaal terug in de stad hoef je ook daar niet van museum naar kerk naar uitzichtpunt te rennen. Innsbruck heeft verschillende wandelroutes waarmee je juist de minder bekende wijken kunt ontdekken. Zo loopt een van de routes door Mariahilf, Hötting en St. Nikolaus, buurten die wat verder afstaan van het klassieke rijtje toeristische hoogtepunten.
Dat vind ik eigenlijk een fijne manier om een stad te leren kennen. Gewoon lopen, onderweg ergens koffie drinken en kijken wat je tegenkomt. In St. Nikolaus kun je bijvoorbeeld neerstrijken bij haepinest, een café met vegetarische en veganistische gerechten en goede koffie. Niet omdat je daar per se geweest móét zijn, maar omdat even zitten soms net zo goed onderdeel van een stedentrip mag zijn als weer een bezienswaardigheid.
Waarom Innsbruck goed past bij een rustige gezinsvakantie
Voor ons zit de aantrekkingskracht vooral in de combinatie. Je hebt een echte stad, maar bent vanuit het centrum snel in het bos of de bergen. Daardoor kun je de ene dag actief op pad en de volgende dag veel rustiger aan doen zonder dat het voelt alsof je iets mist.
En wie vaker zoekt naar vakanties waarbij natuur en stad samenkomen, kan tussen onze andere vakantie-inspiratie voor gezinnen nog meer ideeën vinden. Innsbruck zou ik vooral onthouden voor gezinnen die graag veel buiten zijn, maar óók blij worden van goed openbaar vervoer, een fijne koffiestop en af en toe een dag waarop helemaal niets hoeft.
Afbeelding: © Innsbruck Tourismus / Manuel Kottersteger